larderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of larderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: larderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: larderend
Past participle - Verleden deelwoord: gelardeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklardeer
jijlardeert
hijlardeert
wijlarderen
jullielarderen
zijlarderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelardeerd
jijhebt gelardeerd
hijheeft gelardeerd
wijhebben gelardeerd
julliehebben gelardeerd
zijhebben gelardeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklardeerde
jijlardeerde
hijlardeerde
wijlardeerden
jullielardeerden
zijlardeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelardeerd
jijhad gelardeerd
hijhad gelardeerd
wijhadden gelardeerd
julliehadden gelardeerd
zijhadden gelardeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal larderen
jijzult larderen
hijzal larderen
wijzullen larderen
julliezullen larderen
zijzullen larderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelardeerd hebben
jijzult gelardeerd hebben
hijzal gelardeerd hebben
wijzullen gelardeerd hebben
julliezullen gelardeerd hebben
zijzullen gelardeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou larderen
jijzou larderen
hijzou larderen
wijzouden larderen
julliezouden larderen
zijzouden larderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelardeerd hebben
jijzou gelardeerd hebben
hijzou gelardeerd hebben
wijzouden gelardeerd hebben
julliezouden gelardeerd hebben
zijzouden gelardeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlardeer

Translations

  • lard, stuff with bacon or pork
  • lard, garnish or strew
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information