kolken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kolken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kolken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kolkend
Past participle - Verleden deelwoord: gekolkt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkolk
jijkolkt
hijkolkt
wijkolken
julliekolken
zijkolken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekolkt
jijhebt gekolkt
hijheeft gekolkt
wijhebben gekolkt
julliehebben gekolkt
zijhebben gekolkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkolkte
jijkolkte
hijkolkte
wijkolkten
julliekolkten
zijkolkten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekolkt
jijhad gekolkt
hijhad gekolkt
wijhadden gekolkt
julliehadden gekolkt
zijhadden gekolkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kolken
jijzult kolken
hijzal kolken
wijzullen kolken
julliezullen kolken
zijzullen kolken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekolkt hebben
jijzult gekolkt hebben
hijzal gekolkt hebben
wijzullen gekolkt hebben
julliezullen gekolkt hebben
zijzullen gekolkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kolken
jijzou kolken
hijzou kolken
wijzouden kolken
julliezouden kolken
zijzouden kolken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekolkt hebben
jijzou gekolkt hebben
hijzou gekolkt hebben
wijzouden gekolkt hebben
julliezouden gekolkt hebben
zijzouden gekolkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkolk

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Er was al een gat in de dijk gekolkt. (The whirling waters had already breached the dyke)
  • Hij kolkte inwendig van woede, maar bleef kalm (Inwardly he was seething for anger, but he stayed calm.)

Etymology

From Middle Dutch colc, probably from the root of kuil (“pothole”) and kolk (“sewer drain”).

Additional Information