indoctrineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of indoctrineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: indoctrineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: indoctrinerend
Past participle - Verleden deelwoord: geïndoctrineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikindoctrineer
jijindoctrineert
hijindoctrineert
wijindoctrineren
jullieindoctrineren
zijindoctrineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïndoctrineerd
jijhebt geïndoctrineerd
hijheeft geïndoctrineerd
wijhebben geïndoctrineerd
julliehebben geïndoctrineerd
zijhebben geïndoctrineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikindoctrineerde
jijindoctrineerde
hijindoctrineerde
wijindoctrineerden
jullieindoctrineerden
zijindoctrineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïndoctrineerd
jijhad geïndoctrineerd
hijhad geïndoctrineerd
wijhadden geïndoctrineerd
julliehadden geïndoctrineerd
zijhadden geïndoctrineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal indoctrineren
jijzult indoctrineren
hijzal indoctrineren
wijzullen indoctrineren
julliezullen indoctrineren
zijzullen indoctrineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïndoctrineerd hebben
jijzult geïndoctrineerd hebben
hijzal geïndoctrineerd hebben
wijzullen geïndoctrineerd hebben
julliezullen geïndoctrineerd hebben
zijzullen geïndoctrineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou indoctrineren
jijzou indoctrineren
hijzou indoctrineren
wijzouden indoctrineren
julliezouden indoctrineren
zijzouden indoctrineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïndoctrineerd hebben
jijzou geïndoctrineerd hebben
hijzou geïndoctrineerd hebben
wijzouden geïndoctrineerd hebben
julliezouden geïndoctrineerd hebben
zijzouden geïndoctrineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijindoctrineer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information