hunkeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hunkeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hunkeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hunkerend
Past participle - Verleden deelwoord: gehunkerd

Cognates

See the 2 cognates of hunkeren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhunker
jijhunkert
hijhunkert
wijhunkeren
julliehunkeren
zijhunkeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehunkerd
jijhebt gehunkerd
hijheeft gehunkerd
wijhebben gehunkerd
julliehebben gehunkerd
zijhebben gehunkerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhunkerde
jijhunkerde
hijhunkerde
wijhunkerden
julliehunkerden
zijhunkerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehunkerd
jijhad gehunkerd
hijhad gehunkerd
wijhadden gehunkerd
julliehadden gehunkerd
zijhadden gehunkerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hunkeren
jijzult hunkeren
hijzal hunkeren
wijzullen hunkeren
julliezullen hunkeren
zijzullen hunkeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehunkerd hebben
jijzult gehunkerd hebben
hijzal gehunkerd hebben
wijzullen gehunkerd hebben
julliezullen gehunkerd hebben
zijzullen gehunkerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hunkeren
jijzou hunkeren
hijzou hunkeren
wijzouden hunkeren
julliezouden hunkeren
zijzouden hunkeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehunkerd hebben
jijzou gehunkerd hebben
hijzou gehunkerd hebben
wijzouden gehunkerd hebben
julliezouden gehunkerd hebben
zijzouden gehunkerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhunker

Translations

  • covet, to wish for with eagerness
  • hanker, to want
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From earlier hunckeren, honckeren, hanckeren, anckeren, of unknown origin. Perhaps related to anker (literally “anchor”) in the sense of "clinging or hooking onto", or to Dutch honger (“hunger”) or hangen (“to hang”). See also West Flemish hankeren (“to crave”).

    Verbs referencing "hunkeren"

    English hanker.

    Additional Information