hosselen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hosselen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hosselen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hosselend
Past participle - Verleden deelwoord: gehosseld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhossel
jijhosselt
hijhosselt
wijhosselen
julliehosselen
zijhosselen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehosseld
jijhebt gehosseld
hijheeft gehosseld
wijhebben gehosseld
julliehebben gehosseld
zijhebben gehosseld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhosselde
jijhosselde
hijhosselde
wijhosselden
julliehosselden
zijhosselden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehosseld
jijhad gehosseld
hijhad gehosseld
wijhadden gehosseld
julliehadden gehosseld
zijhadden gehosseld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hosselen
jijzult hosselen
hijzal hosselen
wijzullen hosselen
julliezullen hosselen
zijzullen hosselen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehosseld hebben
jijzult gehosseld hebben
hijzal gehosseld hebben
wijzullen gehosseld hebben
julliezullen gehosseld hebben
zijzullen gehosseld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hosselen
jijzou hosselen
hijzou hosselen
wijzouden hosselen
julliezouden hosselen
zijzouden hosselen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehosseld hebben
jijzou gehosseld hebben
hijzou gehosseld hebben
wijzouden gehosseld hebben
julliezouden gehosseld hebben
zijzouden gehosseld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhossel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Surinamese Dutch slang, either from English hustle (which itself derives from Dutch) or directly from hutselen, frequentative of hutsen, from Middle Dutch. See: English 'hustle'.

Additional Information