hemelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hemelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hemelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hemelend
Past participle - Verleden deelwoord: gehemeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhemel
jijhemelt
hijhemelt
wijhemelen
julliehemelen
zijhemelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehemeld
jijhebt gehemeld
hijheeft gehemeld
wijhebben gehemeld
julliehebben gehemeld
zijhebben gehemeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhemelde
jijhemelde
hijhemelde
wijhemelden
julliehemelden
zijhemelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehemeld
jijhad gehemeld
hijhad gehemeld
wijhadden gehemeld
julliehadden gehemeld
zijhadden gehemeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hemelen
jijzult hemelen
hijzal hemelen
wijzullen hemelen
julliezullen hemelen
zijzullen hemelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehemeld hebben
jijzult gehemeld hebben
hijzal gehemeld hebben
wijzullen gehemeld hebben
julliezullen gehemeld hebben
zijzullen gehemeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hemelen
jijzou hemelen
hijzou hemelen
wijzouden hemelen
julliezouden hemelen
zijzouden hemelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehemeld hebben
jijzou gehemeld hebben
hijzou gehemeld hebben
wijzouden gehemeld hebben
julliezouden gehemeld hebben
zijzouden gehemeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhemel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch hêmelen. The word is probably related to heimelijk (“secret”), and in early modern Dutch it still meant "to clean up, to tidy". Semantic influence from hemel (“heaven”) likely shifted its meaning from this towards "to make nice, to make beautiful" and then to the current sense.

Additional Information