germaniseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of germaniseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: germaniseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: germaniserend
Past participle - Verleden deelwoord: germaniseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgermaniseer
jijgermaniseert
hijgermaniseert
wijgermaniseren
julliegermaniseren
zijgermaniseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb germaniseerd
jijhebt germaniseerd
hijheeft germaniseerd
wijhebben germaniseerd
julliehebben germaniseerd
zijhebben germaniseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgermaniseerde
jijgermaniseerde
hijgermaniseerde
wijgermaniseerden
julliegermaniseerden
zijgermaniseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad germaniseerd
jijhad germaniseerd
hijhad germaniseerd
wijhadden germaniseerd
julliehadden germaniseerd
zijhadden germaniseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal germaniseren
jijzult germaniseren
hijzal germaniseren
wijzullen germaniseren
julliezullen germaniseren
zijzullen germaniseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal germaniseerd hebben
jijzult germaniseerd hebben
hijzal germaniseerd hebben
wijzullen germaniseerd hebben
julliezullen germaniseerd hebben
zijzullen germaniseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou germaniseren
jijzou germaniseren
hijzou germaniseren
wijzouden germaniseren
julliezouden germaniseren
zijzouden germaniseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou germaniseerd hebben
jijzou germaniseerd hebben
hijzou germaniseerd hebben
wijzouden germaniseerd hebben
julliezouden germaniseerd hebben
zijzouden germaniseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgermaniseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information