frunniken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of frunniken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: frunniken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: frunnikend
Past participle - Verleden deelwoord: gefrunnikt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfrunnik
jijfrunnikt
hijfrunnikt
wijfrunniken
julliefrunniken
zijfrunniken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefrunnikt
jijhebt gefrunnikt
hijheeft gefrunnikt
wijhebben gefrunnikt
julliehebben gefrunnikt
zijhebben gefrunnikt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfrunnikte
jijfrunnikte
hijfrunnikte
wijfrunnikten
julliefrunnikten
zijfrunnikten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefrunnikt
jijhad gefrunnikt
hijhad gefrunnikt
wijhadden gefrunnikt
julliehadden gefrunnikt
zijhadden gefrunnikt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal frunniken
jijzult frunniken
hijzal frunniken
wijzullen frunniken
julliezullen frunniken
zijzullen frunniken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefrunnikt hebben
jijzult gefrunnikt hebben
hijzal gefrunnikt hebben
wijzullen gefrunnikt hebben
julliezullen gefrunnikt hebben
zijzullen gefrunnikt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou frunniken
jijzou frunniken
hijzou frunniken
wijzouden frunniken
julliezouden frunniken
zijzouden frunniken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefrunnikt hebben
jijzou gefrunnikt hebben
hijzou gefrunnikt hebben
wijzouden gefrunnikt hebben
julliezouden gefrunnikt hebben
zijzouden gefrunnikt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfrunnik

Translations

  • niggle, to fidget, to fiddle, to be restless
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    friemelen
    frommelen, frutselen, peuteren

    Sample Sentences

    Etymology

    Probably from punniken, with fr- as an expressive onset found also in frommelen, frutselen and fröbelen.

    Additional Information