flakkeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of flakkeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: flakkeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: flakkerend
Past participle - Verleden deelwoord: geflakkerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

hijflakkert

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

hijheeft geflakkerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

hijflakkerde

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

hijhad geflakkerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

hijzal flakkeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

hijzal geflakkerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

hijzou flakkeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

hijzou geflakkerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

flikkeren
blikkeren, fonkelen, twinkelen
pinkelen
flikkeren, flonkeren, pinken, schitteren

Sample Sentences

Etymology

Additional Information