flikkeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of flikkeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: flikkeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: flikkerend
Past participle - Verleden deelwoord: geflikkerd

Cognates

See the 5 cognates of flikkeren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikflikker
jijflikkert
hijflikkert
wijflikkeren
jullieflikkeren
zijflikkeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geflikkerd
jijhebt geflikkerd
hijheeft geflikkerd
wijhebben geflikkerd
julliehebben geflikkerd
zijhebben geflikkerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikflikkerde
jijflikkerde
hijflikkerde
wijflikkerden
jullieflikkerden
zijflikkerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geflikkerd
jijhad geflikkerd
hijhad geflikkerd
wijhadden geflikkerd
julliehadden geflikkerd
zijhadden geflikkerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal flikkeren
jijzult flikkeren
hijzal flikkeren
wijzullen flikkeren
julliezullen flikkeren
zijzullen flikkeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geflikkerd hebben
jijzult geflikkerd hebben
hijzal geflikkerd hebben
wijzullen geflikkerd hebben
julliezullen geflikkerd hebben
zijzullen geflikkerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou flikkeren
jijzou flikkeren
hijzou flikkeren
wijzouden flikkeren
julliezouden flikkeren
zijzouden flikkeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geflikkerd hebben
jijzou geflikkerd hebben
hijzou geflikkerd hebben
wijzouden geflikkerd hebben
julliezouden geflikkerd hebben
zijzouden geflikkerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijflikker

Translations

  • waver, to flicker, glimmer, quiver
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • [...] ik er, en nog iemand naast mij, regt op in kon staan. Maar ik moet bekennen, dat ik er veel harder uitstoof dan ik er ingekomen was, toen ik dieper inziende, waar het stik donker was, twee helder flikkerende oogen zag van eenig schepsel, hetzij mensch of duivel, die daar als twee sterren flikkerden, en waar het flaauwe licht, dat in de opening der grot drong, in weêrkaatste. Echter kwam ik na [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] uitstoof dan ik er ingekomen was, toen ik dieper inziende, waar het stik donker was, twee helder flikkerende oogen zag van eenig schepsel, hetzij mensch of duivel, die daar als twee sterren flikkerden, en waar het flaauwe licht, dat in de opening der grot drong, in weêrkaatste. Echter kwam ik na eenige oogenblikken wat tot mij zelven, en schold mij zelven voor een tiendubbelen gek, en zeide, dat [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    1. From earlier flickeren, vlickeren, perhaps equivalent to vlikken + -eren. Perhaps ultimately imitative of birds' wings, or from Proto-Germanic *flakuraz (“shaking, wavering”), related to *flakurōną (“to roam, wander”), from Proto-Indo-European *plag- (“to roam, wander”), from Proto-Indo-European *pelə- (“to wander”). Or, from Proto-Germanic *fleuganą (“to fly”).
    2. Compare West Frisian flikkerje, Middle Low German vlickeren (“to beat, flap”), Old English flicorian (“to flap, flutter”). More at English flicker, flaunt. See: Proto-Germanic '*fleuganą', Old English 'flicorian', English 'flicker'.

    Verbs referencing "flikkeren"

    English flicker, Afrikaans flikker.

    Additional Information