Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: flikkeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: flikkerend
Past participle - Verleden deelwoord: geflikkerd
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | flikker |
| jij | flikkert |
| hij | flikkert |
| wij | flikkeren |
| jullie | flikkeren |
| zij | flikkeren |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geflikkerd |
| jij | hebt geflikkerd |
| hij | heeft geflikkerd |
| wij | hebben geflikkerd |
| jullie | hebben geflikkerd |
| zij | hebben geflikkerd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | flikkerde |
| jij | flikkerde |
| hij | flikkerde |
| wij | flikkerden |
| jullie | flikkerden |
| zij | flikkerden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geflikkerd |
| jij | had geflikkerd |
| hij | had geflikkerd |
| wij | hadden geflikkerd |
| jullie | hadden geflikkerd |
| zij | hadden geflikkerd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal flikkeren |
| jij | zult flikkeren |
| hij | zal flikkeren |
| wij | zullen flikkeren |
| jullie | zullen flikkeren |
| zij | zullen flikkeren |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geflikkerd hebben |
| jij | zult geflikkerd hebben |
| hij | zal geflikkerd hebben |
| wij | zullen geflikkerd hebben |
| jullie | zullen geflikkerd hebben |
| zij | zullen geflikkerd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou flikkeren |
| jij | zou flikkeren |
| hij | zou flikkeren |
| wij | zouden flikkeren |
| jullie | zouden flikkeren |
| zij | zouden flikkeren |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geflikkerd hebben |
| jij | zou geflikkerd hebben |
| hij | zou geflikkerd hebben |
| wij | zouden geflikkerd hebben |
| jullie | zouden geflikkerd hebben |
| zij | zouden geflikkerd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'flikkeren'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'flikkeren'
blikkeren,
flakkeren,
blokkeren,
flankeren,
flikken,
flipperen,
flonkeren,
kikkeren,
klinkeren,
knikkeren,
Translations
waver, to flicker, glimmer, quiver
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
[...] ik er, en nog iemand naast mij, regt op in kon staan. Maar ik moet bekennen, dat ik er veel harder uitstoof dan ik er ingekomen was, toen ik dieper inziende, waar het stik donker was, twee helder flikkerende oogen zag van eenig schepsel, hetzij mensch of duivel, die daar als twee sterren flikkerden, en waar het flaauwe licht, dat in de opening der grot drong, in weêrkaatste. Echter kwam ik na [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] uitstoof dan ik er ingekomen was, toen ik dieper inziende, waar het stik donker was, twee helder flikkerende oogen zag van eenig schepsel, hetzij mensch of duivel, die daar als twee sterren flikkerden, en waar het flaauwe licht, dat in de opening der grot drong, in weêrkaatste. Echter kwam ik na eenige oogenblikken wat tot mij zelven, en schold mij zelven voor een tiendubbelen gek, en zeide, dat [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
1. From earlier flickeren, vlickeren, perhaps equivalent to vlikken + -eren. Perhaps ultimately imitative of birds' wings, or from Proto-Germanic *flakuraz (“shaking, wavering”), related to *flakurōną (“to roam, wander”), from Proto-Indo-European *plag- (“to roam, wander”), from Proto-Indo-European *pelə- (“to wander”). Or, from Proto-Germanic *fleuganą (“to fly”).
2. Compare West Frisian flikkerje, Middle Low German vlickeren (“to beat, flap”), Old English flicorian (“to flap, flutter”). More at English flicker, flaunt. See: Proto-Germanic '
*fleuganą', Old English '
flicorian', English '
flicker'.
Verbs referencing "flikkeren"
English
flicker, Afrikaans
flikker.
Additional Information