façonneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of façonneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: façonneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: façonnerend
Past participle - Verleden deelwoord: gefaçonneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfaçonneer
jijfaçonneert
hijfaçonneert
wijfaçonneren
julliefaçonneren
zijfaçonneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefaçonneerd
jijhebt gefaçonneerd
hijheeft gefaçonneerd
wijhebben gefaçonneerd
julliehebben gefaçonneerd
zijhebben gefaçonneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfaçonneerde
jijfaçonneerde
hijfaçonneerde
wijfaçonneerden
julliefaçonneerden
zijfaçonneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefaçonneerd
jijhad gefaçonneerd
hijhad gefaçonneerd
wijhadden gefaçonneerd
julliehadden gefaçonneerd
zijhadden gefaçonneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal façonneren
jijzult façonneren
hijzal façonneren
wijzullen façonneren
julliezullen façonneren
zijzullen façonneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefaçonneerd hebben
jijzult gefaçonneerd hebben
hijzal gefaçonneerd hebben
wijzullen gefaçonneerd hebben
julliezullen gefaçonneerd hebben
zijzullen gefaçonneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou façonneren
jijzou façonneren
hijzou façonneren
wijzouden façonneren
julliezouden façonneren
zijzouden façonneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefaçonneerd hebben
jijzou gefaçonneerd hebben
hijzou gefaçonneerd hebben
wijzouden gefaçonneerd hebben
julliezouden gefaçonneerd hebben
zijzouden gefaçonneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfaçonneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information