exerceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of exerceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: exerceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: exercerend
Past participle - Verleden deelwoord: geëxerceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikexerceer
jijexerceert
hijexerceert
wijexerceren
jullieexerceren
zijexerceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëxerceerd
jijhebt geëxerceerd
hijheeft geëxerceerd
wijhebben geëxerceerd
julliehebben geëxerceerd
zijhebben geëxerceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikexerceerde
jijexerceerde
hijexerceerde
wijexerceerden
jullieexerceerden
zijexerceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëxerceerd
jijhad geëxerceerd
hijhad geëxerceerd
wijhadden geëxerceerd
julliehadden geëxerceerd
zijhadden geëxerceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal exerceren
jijzult exerceren
hijzal exerceren
wijzullen exerceren
julliezullen exerceren
zijzullen exerceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëxerceerd hebben
jijzult geëxerceerd hebben
hijzal geëxerceerd hebben
wijzullen geëxerceerd hebben
julliezullen geëxerceerd hebben
zijzullen geëxerceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou exerceren
jijzou exerceren
hijzou exerceren
wijzouden exerceren
julliezouden exerceren
zijzouden exerceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëxerceerd hebben
jijzou geëxerceerd hebben
hijzou geëxerceerd hebben
wijzouden geëxerceerd hebben
julliezouden geëxerceerd hebben
zijzouden geëxerceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijexerceer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch exerceren, from Middle French exercer, from Latin exerceō. See: Middle French 'exercer', Latin 'exerceō'.

Additional Information