encanailleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of encanailleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: encanailleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: encanaillerend
Past participle - Verleden deelwoord: geëncanailleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikencanailleer
jijencanailleert
hijencanailleert
wijencanailleren
jullieencanailleren
zijencanailleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëncanailleerd
jijhebt geëncanailleerd
hijheeft geëncanailleerd
wijhebben geëncanailleerd
julliehebben geëncanailleerd
zijhebben geëncanailleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikencanailleerde
jijencanailleerde
hijencanailleerde
wijencanailleerden
jullieencanailleerden
zijencanailleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëncanailleerd
jijhad geëncanailleerd
hijhad geëncanailleerd
wijhadden geëncanailleerd
julliehadden geëncanailleerd
zijhadden geëncanailleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal encanailleren
jijzult encanailleren
hijzal encanailleren
wijzullen encanailleren
julliezullen encanailleren
zijzullen encanailleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëncanailleerd hebben
jijzult geëncanailleerd hebben
hijzal geëncanailleerd hebben
wijzullen geëncanailleerd hebben
julliezullen geëncanailleerd hebben
zijzullen geëncanailleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou encanailleren
jijzou encanailleren
hijzou encanailleren
wijzouden encanailleren
julliezouden encanailleren
zijzouden encanailleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëncanailleerd hebben
jijzou geëncanailleerd hebben
hijzou geëncanailleerd hebben
wijzouden geëncanailleerd hebben
julliezouden geëncanailleerd hebben
zijzouden geëncanailleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijencanailleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information