drogeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of drogeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: drogeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: drogerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedrogeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdrogeer
jijdrogeert
hijdrogeert
wijdrogeren
julliedrogeren
zijdrogeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedrogeerd
jijhebt gedrogeerd
hijheeft gedrogeerd
wijhebben gedrogeerd
julliehebben gedrogeerd
zijhebben gedrogeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdrogeerde
jijdrogeerde
hijdrogeerde
wijdrogeerden
julliedrogeerden
zijdrogeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedrogeerd
jijhad gedrogeerd
hijhad gedrogeerd
wijhadden gedrogeerd
julliehadden gedrogeerd
zijhadden gedrogeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal drogeren
jijzult drogeren
hijzal drogeren
wijzullen drogeren
julliezullen drogeren
zijzullen drogeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedrogeerd hebben
jijzult gedrogeerd hebben
hijzal gedrogeerd hebben
wijzullen gedrogeerd hebben
julliezullen gedrogeerd hebben
zijzullen gedrogeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou drogeren
jijzou drogeren
hijzou drogeren
wijzouden drogeren
julliezouden drogeren
zijzouden drogeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedrogeerd hebben
jijzou gedrogeerd hebben
hijzou gedrogeerd hebben
wijzouden gedrogeerd hebben
julliezouden gedrogeerd hebben
zijzouden gedrogeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdrogeer

Translations

  • drug, to administer intoxicating drugs
  • drug, to add intoxicating drugs to something
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From French droguer + -eren.

    Additional Information