disconteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of disconteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: disconteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: disconterend
Past participle - Verleden deelwoord: gedisconteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdisconteer
jijdisconteert
hijdisconteert
wijdisconteren
julliedisconteren
zijdisconteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedisconteerd
jijhebt gedisconteerd
hijheeft gedisconteerd
wijhebben gedisconteerd
julliehebben gedisconteerd
zijhebben gedisconteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdisconteerde
jijdisconteerde
hijdisconteerde
wijdisconteerden
julliedisconteerden
zijdisconteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedisconteerd
jijhad gedisconteerd
hijhad gedisconteerd
wijhadden gedisconteerd
julliehadden gedisconteerd
zijhadden gedisconteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal disconteren
jijzult disconteren
hijzal disconteren
wijzullen disconteren
julliezullen disconteren
zijzullen disconteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedisconteerd hebben
jijzult gedisconteerd hebben
hijzal gedisconteerd hebben
wijzullen gedisconteerd hebben
julliezullen gedisconteerd hebben
zijzullen gedisconteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou disconteren
jijzou disconteren
hijzou disconteren
wijzouden disconteren
julliezouden disconteren
zijzouden disconteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedisconteerd hebben
jijzou gedisconteerd hebben
hijzou gedisconteerd hebben
wijzouden gedisconteerd hebben
julliezouden gedisconteerd hebben
zijzouden gedisconteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdisconteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information