dispenseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dispenseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dispenseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dispenserend
Past participle - Verleden deelwoord: gedispenseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdispenseer
jijdispenseert
hijdispenseert
wijdispenseren
julliedispenseren
zijdispenseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedispenseerd
jijhebt gedispenseerd
hijheeft gedispenseerd
wijhebben gedispenseerd
julliehebben gedispenseerd
zijhebben gedispenseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdispenseerde
jijdispenseerde
hijdispenseerde
wijdispenseerden
julliedispenseerden
zijdispenseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedispenseerd
jijhad gedispenseerd
hijhad gedispenseerd
wijhadden gedispenseerd
julliehadden gedispenseerd
zijhadden gedispenseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dispenseren
jijzult dispenseren
hijzal dispenseren
wijzullen dispenseren
julliezullen dispenseren
zijzullen dispenseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedispenseerd hebben
jijzult gedispenseerd hebben
hijzal gedispenseerd hebben
wijzullen gedispenseerd hebben
julliezullen gedispenseerd hebben
zijzullen gedispenseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dispenseren
jijzou dispenseren
hijzou dispenseren
wijzouden dispenseren
julliezouden dispenseren
zijzouden dispenseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedispenseerd hebben
jijzou gedispenseerd hebben
hijzou gedispenseerd hebben
wijzouden gedispenseerd hebben
julliezouden gedispenseerd hebben
zijzouden gedispenseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdispenseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information