disciplineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of disciplineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: disciplineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: disciplinerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedisciplineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdisciplineer
jijdisciplineert
hijdisciplineert
wijdisciplineren
julliedisciplineren
zijdisciplineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedisciplineerd
jijhebt gedisciplineerd
hijheeft gedisciplineerd
wijhebben gedisciplineerd
julliehebben gedisciplineerd
zijhebben gedisciplineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdisciplineerde
jijdisciplineerde
hijdisciplineerde
wijdisciplineerden
julliedisciplineerden
zijdisciplineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedisciplineerd
jijhad gedisciplineerd
hijhad gedisciplineerd
wijhadden gedisciplineerd
julliehadden gedisciplineerd
zijhadden gedisciplineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal disciplineren
jijzult disciplineren
hijzal disciplineren
wijzullen disciplineren
julliezullen disciplineren
zijzullen disciplineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedisciplineerd hebben
jijzult gedisciplineerd hebben
hijzal gedisciplineerd hebben
wijzullen gedisciplineerd hebben
julliezullen gedisciplineerd hebben
zijzullen gedisciplineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou disciplineren
jijzou disciplineren
hijzou disciplineren
wijzouden disciplineren
julliezouden disciplineren
zijzouden disciplineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedisciplineerd hebben
jijzou gedisciplineerd hebben
hijzou gedisciplineerd hebben
wijzouden gedisciplineerd hebben
julliezouden gedisciplineerd hebben
zijzouden gedisciplineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdisciplineer

Translations

  • discipline, to teach someone to obey authority
  • discipline, to punish someone in order to (re)gain control
  • discipline, to impose order on someone
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    tuchtigen
    kastijden, straffen

    Sample Sentences

    • De veldheer disciplineerde het gevluchte peloton met strafcorvee. (The general punished the deserted platoon with corvee labour.)
    • De nieuwe rekruten werden snel gedisciplineerd. (The new recrutes were quickly instilled discipline)

    Etymology

    Borrowing from French discipliner. Equivalent to discipline + -eren. See: French 'discipliner'.

    Additional Information