discrediteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of discrediteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: discrediteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: discrediterend
Past participle - Verleden deelwoord: gediscrediteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdiscrediteer
jijdiscrediteert
hijdiscrediteert
wijdiscrediteren
julliediscrediteren
zijdiscrediteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gediscrediteerd
jijhebt gediscrediteerd
hijheeft gediscrediteerd
wijhebben gediscrediteerd
julliehebben gediscrediteerd
zijhebben gediscrediteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdiscrediteerde
jijdiscrediteerde
hijdiscrediteerde
wijdiscrediteerden
julliediscrediteerden
zijdiscrediteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gediscrediteerd
jijhad gediscrediteerd
hijhad gediscrediteerd
wijhadden gediscrediteerd
julliehadden gediscrediteerd
zijhadden gediscrediteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal discrediteren
jijzult discrediteren
hijzal discrediteren
wijzullen discrediteren
julliezullen discrediteren
zijzullen discrediteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gediscrediteerd hebben
jijzult gediscrediteerd hebben
hijzal gediscrediteerd hebben
wijzullen gediscrediteerd hebben
julliezullen gediscrediteerd hebben
zijzullen gediscrediteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou discrediteren
jijzou discrediteren
hijzou discrediteren
wijzouden discrediteren
julliezouden discrediteren
zijzouden discrediteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gediscrediteerd hebben
jijzou gediscrediteerd hebben
hijzou gediscrediteerd hebben
wijzouden gediscrediteerd hebben
julliezouden gediscrediteerd hebben
zijzouden gediscrediteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdiscrediteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information