diftongeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of diftongeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: diftongeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: diftongerend
Past participle - Verleden deelwoord: gediftongeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdiftongeer
jijdiftongeert
hijdiftongeert
wijdiftongeren
julliediftongeren
zijdiftongeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gediftongeerd
jijhebt gediftongeerd
hijheeft gediftongeerd
wijhebben gediftongeerd
julliehebben gediftongeerd
zijhebben gediftongeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdiftongeerde
jijdiftongeerde
hijdiftongeerde
wijdiftongeerden
julliediftongeerden
zijdiftongeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gediftongeerd
jijhad gediftongeerd
hijhad gediftongeerd
wijhadden gediftongeerd
julliehadden gediftongeerd
zijhadden gediftongeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal diftongeren
jijzult diftongeren
hijzal diftongeren
wijzullen diftongeren
julliezullen diftongeren
zijzullen diftongeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gediftongeerd hebben
jijzult gediftongeerd hebben
hijzal gediftongeerd hebben
wijzullen gediftongeerd hebben
julliezullen gediftongeerd hebben
zijzullen gediftongeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou diftongeren
jijzou diftongeren
hijzou diftongeren
wijzouden diftongeren
julliezouden diftongeren
zijzouden diftongeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gediftongeerd hebben
jijzou gediftongeerd hebben
hijzou gediftongeerd hebben
wijzouden gediftongeerd hebben
julliezouden gediftongeerd hebben
zijzouden gediftongeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdiftongeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From diftong + -eren.

Additional Information