denderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of denderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: denderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: denderend
Past participle - Verleden deelwoord: gedenderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdender
jijdendert
hijdendert
wijdenderen
julliedenderen
zijdenderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedenderd
jijhebt gedenderd
hijheeft gedenderd
wijhebben gedenderd
julliehebben gedenderd
zijhebben gedenderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdenderde
jijdenderde
hijdenderde
wijdenderden
julliedenderden
zijdenderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedenderd
jijhad gedenderd
hijhad gedenderd
wijhadden gedenderd
julliehadden gedenderd
zijhadden gedenderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal denderen
jijzult denderen
hijzal denderen
wijzullen denderen
julliezullen denderen
zijzullen denderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedenderd hebben
jijzult gedenderd hebben
hijzal gedenderd hebben
wijzullen gedenderd hebben
julliezullen gedenderd hebben
zijzullen gedenderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou denderen
jijzou denderen
hijzou denderen
wijzouden denderen
julliezouden denderen
zijzouden denderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedenderd hebben
jijzou gedenderd hebben
hijzou gedenderd hebben
wijzouden gedenderd hebben
julliezouden gedenderd hebben
zijzouden gedenderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdender

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Een groot stuk van de gevel begaf het en denderde naar beneden. (A large part of the facade gave way and came down with a loud noise.)

Etymology

From donderen, with a change in vowel for expressive effect.

Additional Information