decolleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of decolleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: decolleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: decollerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedecolleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdecolleer
jijdecolleert
hijdecolleert
wijdecolleren
julliedecolleren
zijdecolleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedecolleerd
jijhebt gedecolleerd
hijheeft gedecolleerd
wijhebben gedecolleerd
julliehebben gedecolleerd
zijhebben gedecolleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdecolleerde
jijdecolleerde
hijdecolleerde
wijdecolleerden
julliedecolleerden
zijdecolleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedecolleerd
jijhad gedecolleerd
hijhad gedecolleerd
wijhadden gedecolleerd
julliehadden gedecolleerd
zijhadden gedecolleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal decolleren
jijzult decolleren
hijzal decolleren
wijzullen decolleren
julliezullen decolleren
zijzullen decolleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedecolleerd hebben
jijzult gedecolleerd hebben
hijzal gedecolleerd hebben
wijzullen gedecolleerd hebben
julliezullen gedecolleerd hebben
zijzullen gedecolleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou decolleren
jijzou decolleren
hijzou decolleren
wijzouden decolleren
julliezouden decolleren
zijzouden decolleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedecolleerd hebben
jijzou gedecolleerd hebben
hijzou gedecolleerd hebben
wijzouden gedecolleerd hebben
julliezouden gedecolleerd hebben
zijzouden gedecolleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdecolleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information