choqueren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of choqueren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: choqueren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: choquerend
Past participle - Verleden deelwoord: gechoqueerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikchoqueer
jijchoqueert
hijchoqueert
wijchoqueren
julliechoqueren
zijchoqueren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gechoqueerd
jijhebt gechoqueerd
hijheeft gechoqueerd
wijhebben gechoqueerd
julliehebben gechoqueerd
zijhebben gechoqueerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikchoqueerde
jijchoqueerde
hijchoqueerde
wijchoqueerden
julliechoqueerden
zijchoqueerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gechoqueerd
jijhad gechoqueerd
hijhad gechoqueerd
wijhadden gechoqueerd
julliehadden gechoqueerd
zijhadden gechoqueerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal choqueren
jijzult choqueren
hijzal choqueren
wijzullen choqueren
julliezullen choqueren
zijzullen choqueren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gechoqueerd hebben
jijzult gechoqueerd hebben
hijzal gechoqueerd hebben
wijzullen gechoqueerd hebben
julliezullen gechoqueerd hebben
zijzullen gechoqueerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou choqueren
jijzou choqueren
hijzou choqueren
wijzouden choqueren
julliezouden choqueren
zijzouden choqueren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gechoqueerd hebben
jijzou gechoqueerd hebben
hijzou gechoqueerd hebben
wijzouden gechoqueerd hebben
julliezouden gechoqueerd hebben
zijzouden gechoqueerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijchoqueer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French choquer. See: French 'choquer'.

Additional Information