evoqueren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of evoqueren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: evoqueren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: evoquerend
Past participle - Verleden deelwoord: geëvoqueerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikevoqueer
jijevoqueert
hijevoqueert
wijevoqueren
jullieevoqueren
zijevoqueren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëvoqueerd
jijhebt geëvoqueerd
hijheeft geëvoqueerd
wijhebben geëvoqueerd
julliehebben geëvoqueerd
zijhebben geëvoqueerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikevoqueerde
jijevoqueerde
hijevoqueerde
wijevoqueerden
jullieevoqueerden
zijevoqueerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëvoqueerd
jijhad geëvoqueerd
hijhad geëvoqueerd
wijhadden geëvoqueerd
julliehadden geëvoqueerd
zijhadden geëvoqueerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal evoqueren
jijzult evoqueren
hijzal evoqueren
wijzullen evoqueren
julliezullen evoqueren
zijzullen evoqueren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëvoqueerd hebben
jijzult geëvoqueerd hebben
hijzal geëvoqueerd hebben
wijzullen geëvoqueerd hebben
julliezullen geëvoqueerd hebben
zijzullen geëvoqueerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou evoqueren
jijzou evoqueren
hijzou evoqueren
wijzouden evoqueren
julliezouden evoqueren
zijzouden evoqueren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëvoqueerd hebben
jijzou geëvoqueerd hebben
hijzou geëvoqueerd hebben
wijzouden geëvoqueerd hebben
julliezouden geëvoqueerd hebben
zijzouden geëvoqueerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijevoqueer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information