blikkeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of blikkeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: blikkeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: blikkerend
Past participle - Verleden deelwoord: geblikkerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikblikker
jijblikkert
hijblikkert
wijblikkeren
jullieblikkeren
zijblikkeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geblikkerd
jijhebt geblikkerd
hijheeft geblikkerd
wijhebben geblikkerd
julliehebben geblikkerd
zijhebben geblikkerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikblikkerde
jijblikkerde
hijblikkerde
wijblikkerden
jullieblikkerden
zijblikkerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geblikkerd
jijhad geblikkerd
hijhad geblikkerd
wijhadden geblikkerd
julliehadden geblikkerd
zijhadden geblikkerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal blikkeren
jijzult blikkeren
hijzal blikkeren
wijzullen blikkeren
julliezullen blikkeren
zijzullen blikkeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geblikkerd hebben
jijzult geblikkerd hebben
hijzal geblikkerd hebben
wijzullen geblikkerd hebben
julliezullen geblikkerd hebben
zijzullen geblikkerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou blikkeren
jijzou blikkeren
hijzou blikkeren
wijzouden blikkeren
julliezouden blikkeren
zijzouden blikkeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geblikkerd hebben
jijzou geblikkerd hebben
hijzou geblikkerd hebben
wijzouden geblikkerd hebben
julliezouden geblikkerd hebben
zijzouden geblikkerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijblikker

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information