belazeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of belazeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: belazeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: belazerend
Past participle - Verleden deelwoord: belazerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbelazer
jijbelazert
hijbelazert
wijbelazeren
julliebelazeren
zijbelazeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb belazerd
jijhebt belazerd
hijheeft belazerd
wijhebben belazerd
julliehebben belazerd
zijhebben belazerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbelazerde
jijbelazerde
hijbelazerde
wijbelazerden
julliebelazerden
zijbelazerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad belazerd
jijhad belazerd
hijhad belazerd
wijhadden belazerd
julliehadden belazerd
zijhadden belazerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal belazeren
jijzult belazeren
hijzal belazeren
wijzullen belazeren
julliezullen belazeren
zijzullen belazeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal belazerd hebben
jijzult belazerd hebben
hijzal belazerd hebben
wijzullen belazerd hebben
julliezullen belazerd hebben
zijzullen belazerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou belazeren
jijzou belazeren
hijzou belazeren
wijzouden belazeren
julliezouden belazeren
zijzouden belazeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou belazerd hebben
jijzou belazerd hebben
hijzou belazerd hebben
wijzouden belazerd hebben
julliezouden belazerd hebben
zijzouden belazerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbelazer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Oldest examples from 1374. From the biblical Lazarus of Bethany, compare semantic shift in lazarus (“drunk”).

Additional Information