belasteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of belasteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: belasteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: belasterend
Past participle - Verleden deelwoord: belasterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbelaster
jijbelastert
hijbelastert
wijbelasteren
julliebelasteren
zijbelasteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb belasterd
jijhebt belasterd
hijheeft belasterd
wijhebben belasterd
julliehebben belasterd
zijhebben belasterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbelasterde
jijbelasterde
hijbelasterde
wijbelasterden
julliebelasterden
zijbelasterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad belasterd
jijhad belasterd
hijhad belasterd
wijhadden belasterd
julliehadden belasterd
zijhadden belasterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal belasteren
jijzult belasteren
hijzal belasteren
wijzullen belasteren
julliezullen belasteren
zijzullen belasteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal belasterd hebben
jijzult belasterd hebben
hijzal belasterd hebben
wijzullen belasterd hebben
julliezullen belasterd hebben
zijzullen belasterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou belasteren
jijzou belasteren
hijzou belasteren
wijzouden belasteren
julliezouden belasteren
zijzouden belasteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou belasterd hebben
jijzou belasterd hebben
hijzou belasterd hebben
wijzouden belasterd hebben
julliezouden belasterd hebben
zijzouden belasterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbelaster

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From be- + lasteren.

Additional Information