aftreden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aftreden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aftreden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aftredend
Past participle - Verleden deelwoord: afgetreden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktreed af
jijtreedt af
hijtreedt af
wijtreden af
jullietreden af
zijtreden af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben afgetreden
jijbent afgetreden
hijis afgetreden
wijzijn afgetreden
julliezijn afgetreden
zijzijn afgetreden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktrad af
jijtrad af
hijtrad af
wijtraden af
jullietraden af
zijtraden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas afgetreden
jijwas afgetreden
hijwas afgetreden
wijwaren afgetreden
julliewaren afgetreden
zijwaren afgetreden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aftreden
jijzult aftreden
hijzal aftreden
wijzullen aftreden
julliezullen aftreden
zijzullen aftreden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgetreden zijn
jijzult afgetreden zijn
hijzal afgetreden zijn
wijzullen afgetreden zijn
julliezullen afgetreden zijn
zijzullen afgetreden zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aftreden
jijzou aftreden
hijzou aftreden
wijzouden aftreden
julliezouden aftreden
zijzouden aftreden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgetreden zijn
jijzou afgetreden zijn
hijzou afgetreden zijn
wijzouden afgetreden zijn
julliezouden afgetreden zijn
zijzouden afgetreden zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijtreed af

Verbs conjugated like 'aftreden'

aantreden, aftreden, optreden, overtreden, treden, vreten,

Translations

  • cede, give up
  • renounce, give up
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch aftreden. Equivalent to af + treden.

    Verbs referencing "aftreden"

    Afrikaans aftree.

    Additional Information