afsloffen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afsloffen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afsloffen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afsloffend
Past participle - Verleden deelwoord: afgesloft

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikslof af
jijsloft af
hijsloft af
wijsloffen af
julliesloffen af
zijsloffen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgesloft
jijhebt afgesloft
hijheeft afgesloft
wijhebben afgesloft
julliehebben afgesloft
zijhebben afgesloft

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikslofte af
jijslofte af
hijslofte af
wijsloften af
julliesloften af
zijsloften af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgesloft
jijhad afgesloft
hijhad afgesloft
wijhadden afgesloft
julliehadden afgesloft
zijhadden afgesloft

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afsloffen
jijzult afsloffen
hijzal afsloffen
wijzullen afsloffen
julliezullen afsloffen
zijzullen afsloffen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgesloft hebben
jijzult afgesloft hebben
hijzal afgesloft hebben
wijzullen afgesloft hebben
julliezullen afgesloft hebben
zijzullen afgesloft hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afsloffen
jijzou afsloffen
hijzou afsloffen
wijzouden afsloffen
julliezouden afsloffen
zijzouden afsloffen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgesloft hebben
jijzou afgesloft hebben
hijzou afgesloft hebben
wijzouden afgesloft hebben
julliezouden afgesloft hebben
zijzouden afgesloft hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijslof af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information