afscheiden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afscheiden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afscheiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afscheidend
Past participle - Verleden deelwoord: afgescheiden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikscheid af
jijscheidt af
hijscheidt af
wijscheiden af
julliescheiden af
zijscheiden af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgescheiden
jijhebt afgescheiden
hijheeft afgescheiden
wijhebben afgescheiden
julliehebben afgescheiden
zijhebben afgescheiden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikscheidde af
jijscheidde af
hijscheidde af
wijscheidden af
julliescheidden af
zijscheidden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgescheiden
jijhad afgescheiden
hijhad afgescheiden
wijhadden afgescheiden
julliehadden afgescheiden
zijhadden afgescheiden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afscheiden
jijzult afscheiden
hijzal afscheiden
wijzullen afscheiden
julliezullen afscheiden
zijzullen afscheiden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgescheiden hebben
jijzult afgescheiden hebben
hijzal afgescheiden hebben
wijzullen afgescheiden hebben
julliezullen afgescheiden hebben
zijzullen afgescheiden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afscheiden
jijzou afscheiden
hijzou afscheiden
wijzouden afscheiden
julliezouden afscheiden
zijzouden afscheiden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgescheiden hebben
jijzou afgescheiden hebben
hijzou afgescheiden hebben
wijzouden afgescheiden hebben
julliezouden afgescheiden hebben
zijzouden afgescheiden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijscheid af

Verbs conjugated like 'afscheiden'

afscheiden, brouwen, onderscheiden, ontvouwen, scheiden, vouwen,

Translations

  • dissociate, to make unrelated
  • excrete, to discharge material
  • exude, to discharge through pores
  • isolate, transitive, chemistry: to separate a substance in pure form from a mixture
  • ooze, to secrete or slowly leak
  • secrete, (''transitive'') produce by secretion
  • strain, to separate solid from liquid
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afzonderen
    scheiden
    produceren
    voortbrengen

    Sample Sentences

    • [...] liet, en aan het maken van dozen en kisten ging, om mijn kruid bij kleine gedeelten te bergen, in de hoop, dat, wat er ook gebeuren mogt, het niet alles te gelijk vlam zou vatten, en ik het zoo afgescheiden kon houden, dat het eene het andere niet kon aansteken. Ik bragt hiermede veertien dagen door; en mijn kruid, dat ongeveer 140 [ lb = gewicht ] zal bedragen hebben, had ik toen in wel honderd [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] hiertoe was eenige tamme aan te fokken, wanneer ik ze misschien, als eene schaapskudde rondom mijne woning zou kunnen laten weiden. Ik begreep echter daarbij dat ik de tammen van de wilden moest afgescheiden houden, want anders zouden zij onder het opgroeijen altijd wild worden. De eenigste weg hiertoe was het afperken van een stuk lands met een heining of met paalwerk, ten einde zij zoodanig afgesloten [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] stilte en omzigtigheid, terwijl Vrijdag mij digt op de hielen volgde, tot aan den zoom van het bosch, aan den kant, die het digtst bij hen was, behalve, dat een uithoek van het bosch mij van hen afscheidde. Hier gekomen riep ik Vrijdag zachtjes bij mij, en hem een grooten boom, die juist aan den hoek stond, wijzende, gelastte ik hem daarin te klimmen, en mij tijding te brengen als hij duidelijk zien [...] (Robinson Crusoe)
    • Zoodra wij de sloep van het schip hadden zien afsteken, hadden wij besloten de gevangenen afgescheiden van elkander en in veilige bewaring te houden. Twee hunner, waarop de kapitein het minste staat maakte, zond ik met Vrijdag en een der bevrijden naar mijne grot, waar zij goed bewaard waren, en [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch afscheden, from Old Dutch *afskeithan, from Proto-West Germanic *abaskaiþan, from Proto-Germanic *abaskaiþaną. Equivalent to af + scheiden.

    Verbs referencing "afscheiden"

    German, old spelling abscheiden.

    Additional Information