aanstrikken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanstrikken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanstrikken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanstrikkend
Past participle - Verleden deelwoord: aangestrikt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstrik aan
jijstrikt aan
hijstrikt aan
wijstrikken aan
julliestrikken aan
zijstrikken aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangestrikt
jijhebt aangestrikt
hijheeft aangestrikt
wijhebben aangestrikt
julliehebben aangestrikt
zijhebben aangestrikt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstrikte aan
jijstrikte aan
hijstrikte aan
wijstrikten aan
julliestrikten aan
zijstrikten aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangestrikt
jijhad aangestrikt
hijhad aangestrikt
wijhadden aangestrikt
julliehadden aangestrikt
zijhadden aangestrikt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanstrikken
jijzult aanstrikken
hijzal aanstrikken
wijzullen aanstrikken
julliezullen aanstrikken
zijzullen aanstrikken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangestrikt hebben
jijzult aangestrikt hebben
hijzal aangestrikt hebben
wijzullen aangestrikt hebben
julliezullen aangestrikt hebben
zijzullen aangestrikt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanstrikken
jijzou aanstrikken
hijzou aanstrikken
wijzouden aanstrikken
julliezouden aanstrikken
zijzouden aanstrikken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangestrikt hebben
jijzou aangestrikt hebben
hijzou aangestrikt hebben
wijzouden aangestrikt hebben
julliezouden aangestrikt hebben
zijzouden aangestrikt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstrik aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • 1833, Christian Friedrich Gottlieb Thon, Volledig Onderwijs in alle Soorten van Afrigting van Honden tot de uitoefening der groote en kleine Jagt noodig, en om dezelven daarbij doeltreffend te gebruiken, tr. from German, J.G. Meijer (publ.), page 272.
  • Bij de dressuur of leiding des honds wordt dan de dresseerlijn aangestrikt. (When training or guiding the dog, the training lead is then attached.)
  • Ze had zijn jasje nog een keer rechtgetrokken, zijn stropdas aangestrikt, de pluizen van zijn hoed geborsteld en hem op het hart gedrukt onderweg niet zijn vertrouwde sigaar te roken, want niet alle vrouwen hielden van die geur. (She had straightened his jacket once more, tied his tie, brushed the fluff off his hat, and urged him not to smoke his usual cigar whilst out and about, as not all women liked the smell of it.) [2012, Jos Palm, Moederkerk. De ondergang van de roomse kerk, Uitgeverij Contact, →ISBN:]
  • 1869, J. Schmal, Wat zult gij worden? Leesboek over handwerken en bedrijven, publ. by S. Folkers, page 68.
  • Het geheel wordt met eene fraaie kant omgeven, in een trechtervormig wit papier gestoken en met een wit lint aangestrikt. (The whole is edged with a pretty lace, placed inside a funnel-shaped white paper cone and knotted together with a white ribbon.)

Etymology

Compound of aan + strikken.

Additional Information