Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: aanstrikken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanstrikkend
Past participle - Verleden deelwoord: aangestrikt
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | strik aan |
| jij | strikt aan |
| hij | strikt aan |
| wij | strikken aan |
| jullie | strikken aan |
| zij | strikken aan |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb aangestrikt |
| jij | hebt aangestrikt |
| hij | heeft aangestrikt |
| wij | hebben aangestrikt |
| jullie | hebben aangestrikt |
| zij | hebben aangestrikt |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | strikte aan |
| jij | strikte aan |
| hij | strikte aan |
| wij | strikten aan |
| jullie | strikten aan |
| zij | strikten aan |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had aangestrikt |
| jij | had aangestrikt |
| hij | had aangestrikt |
| wij | hadden aangestrikt |
| jullie | hadden aangestrikt |
| zij | hadden aangestrikt |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal aanstrikken |
| jij | zult aanstrikken |
| hij | zal aanstrikken |
| wij | zullen aanstrikken |
| jullie | zullen aanstrikken |
| zij | zullen aanstrikken |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal aangestrikt hebben |
| jij | zult aangestrikt hebben |
| hij | zal aangestrikt hebben |
| wij | zullen aangestrikt hebben |
| jullie | zullen aangestrikt hebben |
| zij | zullen aangestrikt hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou aanstrikken |
| jij | zou aanstrikken |
| hij | zou aanstrikken |
| wij | zouden aanstrikken |
| jullie | zouden aanstrikken |
| zij | zouden aanstrikken |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou aangestrikt hebben |
| jij | zou aangestrikt hebben |
| hij | zou aangestrikt hebben |
| wij | zouden aangestrikt hebben |
| jullie | zouden aangestrikt hebben |
| zij | zouden aangestrikt hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'aanstrikken'
aanbaffen,
aanbikken,
aanblikken,
aandikken,
aandrukken,
aaneenplakken,
aaneenstrikken,
aanfokken,
aankwakken,
aanlokken,
aanpakken,
aanpassen,
aanpikken,
aanplakken,
aanploffen,
aanprikken,
aanschaffen,
aansloffen,
aanstikken,
aanstoffen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'aanstrikken'
aanstikken,
aanstrijken,
aanprikken,
aanstuiken,
aantikken,
aantrekken,
aanbikken,
aanblikken,
aandikken,
aandrinken,
Translations
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
1833, Christian Friedrich Gottlieb Thon, Volledig Onderwijs in alle Soorten van Afrigting van Honden tot de uitoefening der groote en kleine Jagt noodig, en om dezelven daarbij doeltreffend te gebruiken, tr. from German, J.G. Meijer (publ.), page 272.
-
Bij de dressuur of leiding des honds wordt dan de dresseerlijn aangestrikt. (When training or guiding the dog, the training lead is then attached.)
-
Ze had zijn jasje nog een keer rechtgetrokken, zijn stropdas aangestrikt, de pluizen van zijn hoed geborsteld en hem op het hart gedrukt onderweg niet zijn vertrouwde sigaar te roken, want niet alle vrouwen hielden van die geur. (She had straightened his jacket once more, tied his tie, brushed the fluff off his hat, and urged him not to smoke his usual cigar whilst out and about, as not all women liked the smell of it.) [2012, Jos Palm, Moederkerk. De ondergang van de roomse kerk, Uitgeverij Contact, →ISBN:]
-
1869, J. Schmal, Wat zult gij worden? Leesboek over handwerken en bedrijven, publ. by S. Folkers, page 68.
-
Het geheel wordt met eene fraaie kant omgeven, in een trechtervormig wit papier gestoken en met een wit lint aangestrikt. (The whole is edged with a pretty lace, placed inside a funnel-shaped white paper cone and knotted together with a white ribbon.)
Etymology
Compound of aan + strikken.
Additional Information