Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: aanmerken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanmerkend
Past participle - Verleden deelwoord: aangemerkt
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | merk aan |
| jij | merkt aan |
| hij | merkt aan |
| wij | merken aan |
| jullie | merken aan |
| zij | merken aan |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb aangemerkt |
| jij | hebt aangemerkt |
| hij | heeft aangemerkt |
| wij | hebben aangemerkt |
| jullie | hebben aangemerkt |
| zij | hebben aangemerkt |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | merkte aan |
| jij | merkte aan |
| hij | merkte aan |
| wij | merkten aan |
| jullie | merkten aan |
| zij | merkten aan |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had aangemerkt |
| jij | had aangemerkt |
| hij | had aangemerkt |
| wij | hadden aangemerkt |
| jullie | hadden aangemerkt |
| zij | hadden aangemerkt |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal aanmerken |
| jij | zult aanmerken |
| hij | zal aanmerken |
| wij | zullen aanmerken |
| jullie | zullen aanmerken |
| zij | zullen aanmerken |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal aangemerkt hebben |
| jij | zult aangemerkt hebben |
| hij | zal aangemerkt hebben |
| wij | zullen aangemerkt hebben |
| jullie | zullen aangemerkt hebben |
| zij | zullen aangemerkt hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou aanmerken |
| jij | zou aanmerken |
| hij | zou aanmerken |
| wij | zouden aanmerken |
| jullie | zouden aanmerken |
| zij | zouden aanmerken |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou aangemerkt hebben |
| jij | zou aangemerkt hebben |
| hij | zou aangemerkt hebben |
| wij | zouden aangemerkt hebben |
| jullie | zouden aangemerkt hebben |
| zij | zouden aangemerkt hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'aanmerken'
aanboeken,
aaneenkoeken,
aangrinniken,
aanharken,
aanjanken,
aanjuichen,
aankalken,
aanlijken,
aanlonken,
aanmerken,
aanreiken,
aanstuiken,
aanvonken,
aanwenken,
aanwerken,
afchecken,
afdanken,
afharken,
afkalken,
afkicken, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'aanmerken'
aanmeren,
aanwerken,
aanberen,
aanharken,
aankerven,
aanleren,
aanmaken,
aanmelden,
aanmengen,
aanmoeren,
Translations
Sample Sentences
-
Ik heb reeds aangemerkt, hoe ik al mijne goederen binnen deze schans bragt en in den kelder, dien ik gemaakt had, maar ik moet er bij vermelden, dat dit in den beginne een verwarde hoop goederen was, die, daar zij ordeloos [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] kon ik de weinige geneugten, die ik in de wereld had, niet smaken; ik kon niet met genoegen eten of schrijven, of verschillende andere zaken verrigten, als ik niet aan eene tafel zat. Ik moet hier aanmerken, dat de rede de grondslag der wiskunde is, en dat iedereen, die gezond over berekeningen en evenredigheden kan oordeelen, alle werktuigelijke kunsten begrijpen en leeren kan. Ik had nimmer [...]
(Robinson Crusoe)
-
Ik moet hierbij aanmerken, dat ik spoedig vergat de zondagen te rekenen, omdat ik hun merk op den stijl vergeten had.
(Robinson Crusoe)
-
In deze gemoedsgesteldheid trad ik het derde jaar in, en hoewel ik den lezer niet met zulk een uitvoerig verslag van mijn arbeid als in het eerste jaar lastig gevallen heb, kan ik over het algemeen aanmerken, dat ik zelden ledig was, daar ik regelmatig mijn tijd verdeelde. Eerstelijk bad ik God en las eenigen tijd in den Bijbel, een gezetten tijd driemalen daags; vervolgens ging ik met mijn geweer uit [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch aenmerken, aenmercken. Equivalent to aan + merken.
Additional Information