goedkeuren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of goedkeuren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: goedkeuren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: goedkeurend
Past participle - Verleden deelwoord: goedgekeurd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkeur goed
jijkeurt goed
hijkeurt goed
wijkeuren goed
julliekeuren goed
zijkeuren goed

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb goedgekeurd
jijhebt goedgekeurd
hijheeft goedgekeurd
wijhebben goedgekeurd
julliehebben goedgekeurd
zijhebben goedgekeurd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkeurde goed
jijkeurde goed
hijkeurde goed
wijkeurden goed
julliekeurden goed
zijkeurden goed

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad goedgekeurd
jijhad goedgekeurd
hijhad goedgekeurd
wijhadden goedgekeurd
julliehadden goedgekeurd
zijhadden goedgekeurd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal goedkeuren
jijzult goedkeuren
hijzal goedkeuren
wijzullen goedkeuren
julliezullen goedkeuren
zijzullen goedkeuren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal goedgekeurd hebben
jijzult goedgekeurd hebben
hijzal goedgekeurd hebben
wijzullen goedgekeurd hebben
julliezullen goedgekeurd hebben
zijzullen goedgekeurd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou goedkeuren
jijzou goedkeuren
hijzou goedkeuren
wijzouden goedkeuren
julliezouden goedkeuren
zijzouden goedkeuren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou goedgekeurd hebben
jijzou goedgekeurd hebben
hijzou goedgekeurd hebben
wijzouden goedgekeurd hebben
julliezouden goedgekeurd hebben
zijzouden goedgekeurd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkeur goed

Translations

  • approve, ''(archaic in English)'' to make proof of; to demonstrate; to prove or show practically
  • approve, to sanction officially; to ratify; to confirm; as, to approve the decision of a court-martial
  • approve, to regard as good; to commend; to be pleased with; to think well of
  • endorse, support
  • prop, support
  • support, support
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From goed (“good”) + keuren (“to assess”).

    Verbs referencing "goedkeuren"

    Afrikaans goedkeur.

    Additional Information