aanmarcheren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanmarcheren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanmarcheren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanmarcherend
Past participle - Verleden deelwoord: aangemarcheerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmarcheer aan
jijmarcheert aan
hijmarcheert aan
wijmarcheren aan
julliemarcheren aan
zijmarcheren aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangemarcheerd
jijhebt aangemarcheerd
hijheeft aangemarcheerd
wijhebben aangemarcheerd
julliehebben aangemarcheerd
zijhebben aangemarcheerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmarcheerde aan
jijmarcheerde aan
hijmarcheerde aan
wijmarcheerden aan
julliemarcheerden aan
zijmarcheerden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangemarcheerd
jijhad aangemarcheerd
hijhad aangemarcheerd
wijhadden aangemarcheerd
julliehadden aangemarcheerd
zijhadden aangemarcheerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanmarcheren
jijzult aanmarcheren
hijzal aanmarcheren
wijzullen aanmarcheren
julliezullen aanmarcheren
zijzullen aanmarcheren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangemarcheerd hebben
jijzult aangemarcheerd hebben
hijzal aangemarcheerd hebben
wijzullen aangemarcheerd hebben
julliezullen aangemarcheerd hebben
zijzullen aangemarcheerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanmarcheren
jijzou aanmarcheren
hijzou aanmarcheren
wijzouden aanmarcheren
julliezouden aanmarcheren
zijzouden aanmarcheren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangemarcheerd hebben
jijzou aangemarcheerd hebben
hijzou aangemarcheerd hebben
wijzouden aangemarcheerd hebben
julliezouden aangemarcheerd hebben
zijzouden aangemarcheerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmarcheer aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information