aanmodderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanmodderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanmodderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanmodderend
Past participle - Verleden deelwoord: aangemodderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmodder aan
jijmoddert aan
hijmoddert aan
wijmodderen aan
julliemodderen aan
zijmodderen aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangemodderd
jijhebt aangemodderd
hijheeft aangemodderd
wijhebben aangemodderd
julliehebben aangemodderd
zijhebben aangemodderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmodderde aan
jijmodderde aan
hijmodderde aan
wijmodderden aan
julliemodderden aan
zijmodderden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangemodderd
jijhad aangemodderd
hijhad aangemodderd
wijhadden aangemodderd
julliehadden aangemodderd
zijhadden aangemodderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanmodderen
jijzult aanmodderen
hijzal aanmodderen
wijzullen aanmodderen
julliezullen aanmodderen
zijzullen aanmodderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangemodderd hebben
jijzult aangemodderd hebben
hijzal aangemodderd hebben
wijzullen aangemodderd hebben
julliezullen aangemodderd hebben
zijzullen aangemodderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanmodderen
jijzou aanmodderen
hijzou aanmodderen
wijzouden aanmodderen
julliezouden aanmodderen
zijzouden aanmodderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangemodderd hebben
jijzou aangemodderd hebben
hijzou aangemodderd hebben
wijzouden aangemodderd hebben
julliezouden aangemodderd hebben
zijzouden aangemodderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmodder aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

stumperen
klunzen, knoeien

Sample Sentences

Etymology

Additional Information