zwingelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zwingelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zwingelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zwingelend
Past participle - Verleden deelwoord: gezwingeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzwingel
jijzwingelt
hijzwingelt
wijzwingelen
julliezwingelen
zijzwingelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezwingeld
jijhebt gezwingeld
hijheeft gezwingeld
wijhebben gezwingeld
julliehebben gezwingeld
zijhebben gezwingeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzwingelde
jijzwingelde
hijzwingelde
wijzwingelden
julliezwingelden
zijzwingelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezwingeld
jijhad gezwingeld
hijhad gezwingeld
wijhadden gezwingeld
julliehadden gezwingeld
zijhadden gezwingeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zwingelen
jijzult zwingelen
hijzal zwingelen
wijzullen zwingelen
julliezullen zwingelen
zijzullen zwingelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezwingeld hebben
jijzult gezwingeld hebben
hijzal gezwingeld hebben
wijzullen gezwingeld hebben
julliezullen gezwingeld hebben
zijzullen gezwingeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zwingelen
jijzou zwingelen
hijzou zwingelen
wijzouden zwingelen
julliezouden zwingelen
zijzouden zwingelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezwingeld hebben
jijzou gezwingeld hebben
hijzou gezwingeld hebben
wijzouden gezwingeld hebben
julliezouden gezwingeld hebben
zijzouden gezwingeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzwingel

Translations

  • scutch, to strip off as the cuticle from the fibre|
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information