zappen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zappen

The word "zappen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zappen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zappend
Past participle - Verleden deelwoord: gezapt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzap
jijzapt
hijzapt
wijzappen
julliezappen
zijzappen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezapt
jijhebt gezapt
hijheeft gezapt
wijhebben gezapt
julliehebben gezapt
zijhebben gezapt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzapte
jijzapte
hijzapte
wijzapten
julliezapten
zijzapten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezapt
jijhad gezapt
hijhad gezapt
wijhadden gezapt
julliehadden gezapt
zijhadden gezapt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zappen
jijzult zappen
hijzal zappen
wijzullen zappen
julliezullen zappen
zijzullen zappen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezapt hebben
jijzult gezapt hebben
hijzal gezapt hebben
wijzullen gezapt hebben
julliezullen gezapt hebben
zijzullen gezapt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zappen
jijzou zappen
hijzou zappen
wijzouden zappen
julliezouden zappen
zijzouden zappen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezapt hebben
jijzou gezapt hebben
hijzou gezapt hebben
wijzouden gezapt hebben
julliezouden gezapt hebben
zijzouden gezapt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzap

Translations

  • zap, change channels repeatedly
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from English zap. See: English 'zap'.

    Additional Information