wapperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wapperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wapperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wapperend
Past participle - Verleden deelwoord: gewapperd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwapper
jijwappert
hijwappert
wijwapperen
julliewapperen
zijwapperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewapperd
jijhebt gewapperd
hijheeft gewapperd
wijhebben gewapperd
julliehebben gewapperd
zijhebben gewapperd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwapperde
jijwapperde
hijwapperde
wijwapperden
julliewapperden
zijwapperden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewapperd
jijhad gewapperd
hijhad gewapperd
wijhadden gewapperd
julliehadden gewapperd
zijhadden gewapperd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wapperen
jijzult wapperen
hijzal wapperen
wijzullen wapperen
julliezullen wapperen
zijzullen wapperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewapperd hebben
jijzult gewapperd hebben
hijzal gewapperd hebben
wijzullen gewapperd hebben
julliezullen gewapperd hebben
zijzullen gewapperd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wapperen
jijzou wapperen
hijzou wapperen
wijzouden wapperen
julliezouden wapperen
zijzouden wapperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewapperd hebben
jijzou gewapperd hebben
hijzou gewapperd hebben
wijzouden gewapperd hebben
julliezouden gewapperd hebben
zijzouden gewapperd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwapper

Translations

  • flutter, to flap or wave quickly
  • wave, to move back and forth repeatedly
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch wapperen.

    Additional Information