waarzeggen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of waarzeggen

The word "waarzeggen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: waarzeggen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: waarzeggend
Past participle - Verleden deelwoord: gewaarzegd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwaarzeg
jijwaarzegt
hijwaarzegt
wijwaarzeggen
julliewaarzeggen
zijwaarzeggen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewaarzegd
jijhebt gewaarzegd
hijheeft gewaarzegd
wijhebben gewaarzegd
julliehebben gewaarzegd
zijhebben gewaarzegd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwaarzegde
jijwaarzegde
hijwaarzegde
wijwaarzegden
julliewaarzegden
zijwaarzegden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewaarzegd
jijhad gewaarzegd
hijhad gewaarzegd
wijhadden gewaarzegd
julliehadden gewaarzegd
zijhadden gewaarzegd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal waarzeggen
jijzult waarzeggen
hijzal waarzeggen
wijzullen waarzeggen
julliezullen waarzeggen
zijzullen waarzeggen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewaarzegd hebben
jijzult gewaarzegd hebben
hijzal gewaarzegd hebben
wijzullen gewaarzegd hebben
julliezullen gewaarzegd hebben
zijzullen gewaarzegd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou waarzeggen
jijzou waarzeggen
hijzou waarzeggen
wijzouden waarzeggen
julliezouden waarzeggen
zijzouden waarzeggen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewaarzegd hebben
jijzou gewaarzegd hebben
hijzou gewaarzegd hebben
wijzouden gewaarzegd hebben
julliezouden gewaarzegd hebben
zijzouden gewaarzegd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwaarzeg

Verbs similar to 'waarzeggen'

Translations

  • divine, foretell (something)
  • augur, to foretell events; to exhibit signs of future events
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch waersegghen. Equivalent to waar (“true”) + zeggen (“to say, tell”). Compare German wahrsagen. See: German, old spelling 'wahrsagen'.

    Additional Information