verkneuteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verkneuteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verkneuteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verkneuterend
Past participle - Verleden deelwoord: verkneuterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverkneuter
jijverkneutert
hijverkneutert
wijverkneuteren
jullieverkneuteren
zijverkneuteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verkneuterd
jijhebt verkneuterd
hijheeft verkneuterd
wijhebben verkneuterd
julliehebben verkneuterd
zijhebben verkneuterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverkneuterde
jijverkneuterde
hijverkneuterde
wijverkneuterden
jullieverkneuterden
zijverkneuterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verkneuterd
jijhad verkneuterd
hijhad verkneuterd
wijhadden verkneuterd
julliehadden verkneuterd
zijhadden verkneuterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verkneuteren
jijzult verkneuteren
hijzal verkneuteren
wijzullen verkneuteren
julliezullen verkneuteren
zijzullen verkneuteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verkneuterd hebben
jijzult verkneuterd hebben
hijzal verkneuterd hebben
wijzullen verkneuterd hebben
julliezullen verkneuterd hebben
zijzullen verkneuterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verkneuteren
jijzou verkneuteren
hijzou verkneuteren
wijzouden verkneuteren
julliezouden verkneuteren
zijzouden verkneuteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verkneuterd hebben
jijzou verkneuterd hebben
hijzou verkneuterd hebben
wijzouden verkneuterd hebben
julliezouden verkneuterd hebben
zijzouden verkneuterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverkneuter

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information