uitrekken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitrekken

The word "uitrekken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitrekken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitrekkend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgerekt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrek uit
jijrekt uit
hijrekt uit
wijrekken uit
jullierekken uit
zijrekken uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgerekt
jijhebt uitgerekt
hijheeft uitgerekt
wijhebben uitgerekt
julliehebben uitgerekt
zijhebben uitgerekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrekte uit
jijrekte uit
hijrekte uit
wijrekten uit
jullierekten uit
zijrekten uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgerekt
jijhad uitgerekt
hijhad uitgerekt
wijhadden uitgerekt
julliehadden uitgerekt
zijhadden uitgerekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitrekken
jijzult uitrekken
hijzal uitrekken
wijzullen uitrekken
julliezullen uitrekken
zijzullen uitrekken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgerekt hebben
jijzult uitgerekt hebben
hijzal uitgerekt hebben
wijzullen uitgerekt hebben
julliezullen uitgerekt hebben
zijzullen uitgerekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitrekken
jijzou uitrekken
hijzou uitrekken
wijzouden uitrekken
julliezouden uitrekken
zijzouden uitrekken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgerekt hebben
jijzou uitgerekt hebben
hijzou uitgerekt hebben
wijzouden uitgerekt hebben
julliezouden uitgerekt hebben
zijzouden uitgerekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrek uit

Verbs similar to 'uitrekken'

Translations

  • rax, to stretch after sleep
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From uit + rekken.

    Additional Information