kruimelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kruimelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kruimelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kruimelend
Past participle - Verleden deelwoord: gekruimeld

Cognates

See the 2 cognates of kruimelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkruimel
jijkruimelt
hijkruimelt
wijkruimelen
julliekruimelen
zijkruimelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekruimeld
jijhebt gekruimeld
hijheeft gekruimeld
wijhebben gekruimeld
julliehebben gekruimeld
zijhebben gekruimeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkruimelde
jijkruimelde
hijkruimelde
wijkruimelden
julliekruimelden
zijkruimelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekruimeld
jijhad gekruimeld
hijhad gekruimeld
wijhadden gekruimeld
julliehadden gekruimeld
zijhadden gekruimeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kruimelen
jijzult kruimelen
hijzal kruimelen
wijzullen kruimelen
julliezullen kruimelen
zijzullen kruimelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekruimeld hebben
jijzult gekruimeld hebben
hijzal gekruimeld hebben
wijzullen gekruimeld hebben
julliezullen gekruimeld hebben
zijzullen gekruimeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kruimelen
jijzou kruimelen
hijzou kruimelen
wijzouden kruimelen
julliezouden kruimelen
zijzouden kruimelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekruimeld hebben
jijzou gekruimeld hebben
hijzou gekruimeld hebben
wijzouden gekruimeld hebben
julliezouden gekruimeld hebben
zijzouden gekruimeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkruimel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From kruimen + -elen and/or kruimel + -en. Compare English crumble. See: English 'crumble'.

Verbs referencing "kruimelen"

English crumble.

Additional Information