trippen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of trippen

The word "trippen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: trippen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: trippend
Past participle - Verleden deelwoord: getript

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktrip
jijtript
hijtript
wijtrippen
jullietrippen
zijtrippen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getript
jijhebt getript
hijheeft getript
wijhebben getript
julliehebben getript
zijhebben getript

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktripte
jijtripte
hijtripte
wijtripten
jullietripten
zijtripten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getript
jijhad getript
hijhad getript
wijhadden getript
julliehadden getript
zijhadden getript

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal trippen
jijzult trippen
hijzal trippen
wijzullen trippen
julliezullen trippen
zijzullen trippen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getript hebben
jijzult getript hebben
hijzal getript hebben
wijzullen getript hebben
julliezullen getript hebben
zijzullen getript hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou trippen
jijzou trippen
hijzou trippen
wijzouden trippen
julliezouden trippen
zijzouden trippen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getript hebben
jijzou getript hebben
hijzou getript hebben
wijzouden getript hebben
julliezouden getript hebben
zijzouden getript hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtrip

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Ik heb afgelopen weekend urenlang staan trippen op een rave. (I spent hours tripping at a rave last weekend.)

Etymology

From English trip. By surface analysis, trip + -en. See: English 'trip'.

Additional Information