tolereren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tolereren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tolereren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tolererend
Past participle - Verleden deelwoord: getolereerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktolereer
jijtolereert
hijtolereert
wijtolereren
jullietolereren
zijtolereren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getolereerd
jijhebt getolereerd
hijheeft getolereerd
wijhebben getolereerd
julliehebben getolereerd
zijhebben getolereerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktolereerde
jijtolereerde
hijtolereerde
wijtolereerden
jullietolereerden
zijtolereerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getolereerd
jijhad getolereerd
hijhad getolereerd
wijhadden getolereerd
julliehadden getolereerd
zijhadden getolereerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tolereren
jijzult tolereren
hijzal tolereren
wijzullen tolereren
julliezullen tolereren
zijzullen tolereren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getolereerd hebben
jijzult getolereerd hebben
hijzal getolereerd hebben
wijzullen getolereerd hebben
julliezullen getolereerd hebben
zijzullen getolereerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tolereren
jijzou tolereren
hijzou tolereren
wijzouden tolereren
julliezouden tolereren
zijzouden tolereren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getolereerd hebben
jijzou getolereerd hebben
hijzou getolereerd hebben
wijzouden getolereerd hebben
julliezouden getolereerd hebben
zijzouden getolereerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtolereer

Translations

  • abide, bear patiently; tolerate
  • tolerate, To allow (something that one dislikes or disagrees with)
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Latin tolerāre, perhaps via French tolérer. See: Latin 'tolero', French 'tolérer'.

    Additional Information