toedelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of toedelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: toedelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: toedelend
Past participle - Verleden deelwoord: toegedeeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdeel toe
jijdeelt toe
hijdeelt toe
wijdelen toe
julliedelen toe
zijdelen toe

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb toegedeeld
jijhebt toegedeeld
hijheeft toegedeeld
wijhebben toegedeeld
julliehebben toegedeeld
zijhebben toegedeeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdeelde toe
jijdeelde toe
hijdeelde toe
wijdeelden toe
julliedeelden toe
zijdeelden toe

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad toegedeeld
jijhad toegedeeld
hijhad toegedeeld
wijhadden toegedeeld
julliehadden toegedeeld
zijhadden toegedeeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal toedelen
jijzult toedelen
hijzal toedelen
wijzullen toedelen
julliezullen toedelen
zijzullen toedelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal toegedeeld hebben
jijzult toegedeeld hebben
hijzal toegedeeld hebben
wijzullen toegedeeld hebben
julliezullen toegedeeld hebben
zijzullen toegedeeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou toedelen
jijzou toedelen
hijzou toedelen
wijzouden toedelen
julliezouden toedelen
zijzouden toedelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou toegedeeld hebben
jijzou toegedeeld hebben
hijzou toegedeeld hebben
wijzouden toegedeeld hebben
julliezouden toegedeeld hebben
zijzouden toegedeeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdeel toe

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information