tirailleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tirailleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tirailleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tiraillerend
Past participle - Verleden deelwoord: getirailleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktirailleer
jijtirailleert
hijtirailleert
wijtirailleren
jullietirailleren
zijtirailleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getirailleerd
jijhebt getirailleerd
hijheeft getirailleerd
wijhebben getirailleerd
julliehebben getirailleerd
zijhebben getirailleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktirailleerde
jijtirailleerde
hijtirailleerde
wijtirailleerden
jullietirailleerden
zijtirailleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getirailleerd
jijhad getirailleerd
hijhad getirailleerd
wijhadden getirailleerd
julliehadden getirailleerd
zijhadden getirailleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tirailleren
jijzult tirailleren
hijzal tirailleren
wijzullen tirailleren
julliezullen tirailleren
zijzullen tirailleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getirailleerd hebben
jijzult getirailleerd hebben
hijzal getirailleerd hebben
wijzullen getirailleerd hebben
julliezullen getirailleerd hebben
zijzullen getirailleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tirailleren
jijzou tirailleren
hijzou tirailleren
wijzouden tirailleren
julliezouden tirailleren
zijzouden tirailleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getirailleerd hebben
jijzou getirailleerd hebben
hijzou getirailleerd hebben
wijzouden getirailleerd hebben
julliezouden getirailleerd hebben
zijzouden getirailleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtirailleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information