storneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of storneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: storneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stornerend
Past participle - Verleden deelwoord: gestorneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstorneer
jijstorneert
hijstorneert
wijstorneren
julliestorneren
zijstorneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestorneerd
jijhebt gestorneerd
hijheeft gestorneerd
wijhebben gestorneerd
julliehebben gestorneerd
zijhebben gestorneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstorneerde
jijstorneerde
hijstorneerde
wijstorneerden
julliestorneerden
zijstorneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestorneerd
jijhad gestorneerd
hijhad gestorneerd
wijhadden gestorneerd
julliehadden gestorneerd
zijhadden gestorneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal storneren
jijzult storneren
hijzal storneren
wijzullen storneren
julliezullen storneren
zijzullen storneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestorneerd hebben
jijzult gestorneerd hebben
hijzal gestorneerd hebben
wijzullen gestorneerd hebben
julliezullen gestorneerd hebben
zijzullen gestorneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou storneren
jijzou storneren
hijzou storneren
wijzouden storneren
julliezouden storneren
zijzouden storneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestorneerd hebben
jijzou gestorneerd hebben
hijzou gestorneerd hebben
wijzouden gestorneerd hebben
julliezouden gestorneerd hebben
zijzouden gestorneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstorneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information