sputteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sputteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sputteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sputterend
Past participle - Verleden deelwoord: gesputterd

Cognates

See the 2 cognates of sputteren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksputter
jijsputtert
hijsputtert
wijsputteren
julliesputteren
zijsputteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesputterd
jijhebt gesputterd
hijheeft gesputterd
wijhebben gesputterd
julliehebben gesputterd
zijhebben gesputterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksputterde
jijsputterde
hijsputterde
wijsputterden
julliesputterden
zijsputterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesputterd
jijhad gesputterd
hijhad gesputterd
wijhadden gesputterd
julliehadden gesputterd
zijhadden gesputterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sputteren
jijzult sputteren
hijzal sputteren
wijzullen sputteren
julliezullen sputteren
zijzullen sputteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesputterd hebben
jijzult gesputterd hebben
hijzal gesputterd hebben
wijzullen gesputterd hebben
julliezullen gesputterd hebben
zijzullen gesputterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sputteren
jijzou sputteren
hijzou sputteren
wijzouden sputteren
julliezouden sputteren
zijzouden sputteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesputterd hebben
jijzou gesputterd hebben
hijzou gesputterd hebben
wijzouden gesputterd hebben
julliezouden gesputterd hebben
zijzouden gesputterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsputter

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "sputteren"

English sputter.

Additional Information