spirantiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of spirantiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: spirantiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: spirantiserend
Past participle - Verleden deelwoord: gespirantiseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspirantiseer
jijspirantiseert
hijspirantiseert
wijspirantiseren
julliespirantiseren
zijspirantiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gespirantiseerd
jijhebt gespirantiseerd
hijheeft gespirantiseerd
wijhebben gespirantiseerd
julliehebben gespirantiseerd
zijhebben gespirantiseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspirantiseerde
jijspirantiseerde
hijspirantiseerde
wijspirantiseerden
julliespirantiseerden
zijspirantiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gespirantiseerd
jijhad gespirantiseerd
hijhad gespirantiseerd
wijhadden gespirantiseerd
julliehadden gespirantiseerd
zijhadden gespirantiseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal spirantiseren
jijzult spirantiseren
hijzal spirantiseren
wijzullen spirantiseren
julliezullen spirantiseren
zijzullen spirantiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gespirantiseerd hebben
jijzult gespirantiseerd hebben
hijzal gespirantiseerd hebben
wijzullen gespirantiseerd hebben
julliezullen gespirantiseerd hebben
zijzullen gespirantiseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou spirantiseren
jijzou spirantiseren
hijzou spirantiseren
wijzouden spirantiseren
julliezouden spirantiseren
zijzouden spirantiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gespirantiseerd hebben
jijzou gespirantiseerd hebben
hijzou gespirantiseerd hebben
wijzouden gespirantiseerd hebben
julliezouden gespirantiseerd hebben
zijzouden gespirantiseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspirantiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information