solidariseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of solidariseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: solidariseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: solidariserend
Past participle - Verleden deelwoord: gesolidariseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksolidariseer
jijsolidariseert
hijsolidariseert
wijsolidariseren
julliesolidariseren
zijsolidariseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesolidariseerd
jijhebt gesolidariseerd
hijheeft gesolidariseerd
wijhebben gesolidariseerd
julliehebben gesolidariseerd
zijhebben gesolidariseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksolidariseerde
jijsolidariseerde
hijsolidariseerde
wijsolidariseerden
julliesolidariseerden
zijsolidariseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesolidariseerd
jijhad gesolidariseerd
hijhad gesolidariseerd
wijhadden gesolidariseerd
julliehadden gesolidariseerd
zijhadden gesolidariseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal solidariseren
jijzult solidariseren
hijzal solidariseren
wijzullen solidariseren
julliezullen solidariseren
zijzullen solidariseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesolidariseerd hebben
jijzult gesolidariseerd hebben
hijzal gesolidariseerd hebben
wijzullen gesolidariseerd hebben
julliezullen gesolidariseerd hebben
zijzullen gesolidariseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou solidariseren
jijzou solidariseren
hijzou solidariseren
wijzouden solidariseren
julliezouden solidariseren
zijzouden solidariseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesolidariseerd hebben
jijzou gesolidariseerd hebben
hijzou gesolidariseerd hebben
wijzouden gesolidariseerd hebben
julliezouden gesolidariseerd hebben
zijzouden gesolidariseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsolidariseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information