smokken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of smokken

The word "smokken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: smokken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: smokkend
Past participle - Verleden deelwoord: gesmokt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksmok
jijsmokt
hijsmokt
wijsmokken
julliesmokken
zijsmokken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesmokt
jijhebt gesmokt
hijheeft gesmokt
wijhebben gesmokt
julliehebben gesmokt
zijhebben gesmokt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksmokte
jijsmokte
hijsmokte
wijsmokten
julliesmokten
zijsmokten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesmokt
jijhad gesmokt
hijhad gesmokt
wijhadden gesmokt
julliehadden gesmokt
zijhadden gesmokt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal smokken
jijzult smokken
hijzal smokken
wijzullen smokken
julliezullen smokken
zijzullen smokken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesmokt hebben
jijzult gesmokt hebben
hijzal gesmokt hebben
wijzullen gesmokt hebben
julliezullen gesmokt hebben
zijzullen gesmokt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou smokken
jijzou smokken
hijzou smokken
wijzouden smokken
julliezouden smokken
zijzouden smokken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesmokt hebben
jijzou gesmokt hebben
hijzou gesmokt hebben
wijzouden gesmokt hebben
julliezouden gesmokt hebben
zijzouden gesmokt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsmok

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from English smock. See: English 'smock'.

Additional Information